Hulp nodig?
Neem dan gerust contact met ons op via 010 - 760 11 00 of support@lindenhaeghe.nl.
Terug

Vierde Nota

Vierde Nota van wijziging Wet toekomst pensioenen

De vierde nota van wijziging wijzigt het volgende:

  • Pensioenfondsen worden begrensd in het beleggingsrisico.
  • Een eis over het implementatieplan is versoepeld.
  • Het overgangsrecht is verduidelijkt.
Aanvullende eis voor beleggingsbeleid pensioenfondsen

Het beleggingsbeleid moet passen bij de risicohouding van de deelnemers. Een pensioenfonds moet een verantwoord beleggingsbeleid uitvoeren vanuit de prudent person-regel. In de Pensioenwet gelden al de volgende drie eisen:

  • Een pensioenfonds moet rekening houden met de belangen van alle deelnemers, gewezen deelnemers en uitkeringsgerechtigden.
  • De beleggingen in de bijdragende onderneming mogen niet hoger zijn dan 5% van de portefeuille. Bij een onderneming in groepsverband geldt een maximum van 10%.
  • De beleggingen moeten worden gewaardeerd op marktwaarde.

Aan deze drie eisen is een vierde eis toegevoegd:

  • De blootstelling aan het beleggingsrisico is maximaal 150%. De vierde eis gaat om een maximum. In sommige gevallen kan een lager maximum gelden. Blijkt namelijk uit de risicohouding van de deelnemers dat er een lager beleggingsrisico moet worden gelopen? Dan moet het pensioenfonds hiermee rekening houden door van een lager percentage beleggingsrisico uit te gaan.
Praktische tip

Deze vierde eis beperkt de mogelijkheid die pensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel krijgen om in de solidaire premieregeling met geleend geld te beleggen. De beperking voorkomt dat pensioenfondsen forse risico’s nemen voor jongeren: er zou voor 25-jarigen belegd worden met 16 keer hun inleg, door geleend geld. Beleggen met zoveel geleend geld wordt verdedigd, omdat dit in het huidige pensioenstelsel ook gebeurt en extra rendement en dus welvaartswinst oplevert. Maar de risico’s moeten met deze vierde eis beperkt blijven tot 150%. Dit betekent dat maximaal 1,5 keer de inleg mag worden belegd. In de flexibele premieregeling mag voor maximaal 100% worden belegd.

Het pensioenvermogen wordt beter beschermd tegen beleggingsrisico’s bij een pensioenfonds door de begrenzing van het beleggingsrisico. Aan de andere kant wordt het positieve potentieel beperkt, omdat een pensioenfonds hierdoor minder risicovol kan beleggen. Het verschil tussen pensioenfondsen, pensioenverzekeraars en PPI’s wordt hierdoor iets groter en duidelijker. Daarom is het van belang om het verschil in beleggingsmogelijkheden en in beleggingsbeperkingen mee te nemen in een advies aan de werkgever of deelnemer als deze zelf een pensioenuitvoerder kan uitkiezen.

Ook bij waardeoverdracht kan bovenstaand verschil een rol spelen.

Eisen aan het implementatieplan

De hoofdregel is dat een pensioenuitvoerder een implementatieplan per pensioenregeling opstelt. Pensioenverzekeraars en PPI’s mogen van deze hoofdregel afwijken. Zij mogen een implementatieplan voor meerdere pensioenregelingen tegelijkertijd opstellen. Door de vierde nota van wijziging is een vergelijkbare afwijking voor pensioenfondsen toegevoegd. Pensioenfondsen kunnen een implementatieplan opstellen voor meerdere pensioenregelingen als die regelingen onderdeel zijn van hetzelfde financieel geheel.

Praktische tip

Ondernemingspensioenfondsen en bedrijfstakpensioenfondsen kunnen één implementatieplan maken. Dit geldt ook als ze meerdere pensioenregelingen uitvoeren. Voor algemene pensioenfondsen (APF’s) blijft een implementatieplan per collectiviteitkring nodig als deze geen financieel geheel vormen.

Verduidelijking overgangsrecht

Voor deelnemers die pensioen opbouwen via een progressieve premiestaffel bestaat overgangsrecht. Verduidelijkt is dat hiervan geen gebruik mag worden gemaakt als er niet daadwerkelijk wordt opgebouwd in een progressieve premiestaffel. Dit is bijvoorbeeld het geval als een werknemer de toetredingsleeftijd van de pensioenregeling pas bereikt, nadat de werkgever overstapt naar een pensioenregeling op basis van het nieuwe pensioenstelsel.

Een dekking voor arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen zonder pensioenopbouw veroorzaakt ook geen recht op het overgangsregime. Voor deze werknemers geldt dus direct een leeftijdsonafhankelijke premie als de werkgever overstapt naar een pensioenregeling op basis van het nieuwe pensioenstelsel. Wel is verduidelijkt dat een pensioenregeling fiscaal zuiver blijft als deze wordt voortgezet onder de oude regels, maar waarbij de partnerdefinitie niet meer voldoet aan de Wet toekomst pensioenen. Dit geldt ook voor de partnerdefinitie bij een partnerpensioen op opbouwbasis.

Praktische tip

Wil een werkgever zoveel mogelijk werknemers de mogelijkheid bieden gebruik te maken van het overgangsrecht? Dan kan onder het huidige regime worden gekozen voor het verlagen van de toetredingsleeftijd en vervolgens overstappen naar het nieuwe stelsel met behoud van de progressieve premie. Of zo laat mogelijk overstappen naar het nieuwe pensioenstelsel, zodat meer jonge werknemers de toetredingsleeftijd bereiken.

Pensioenregelingen in andere lidstaten

De laatste jaren zijn enkele pensioenregelingen ondergebracht in een ander land binnen de EEG. Verduidelijkt is dat de Wet toekomst pensioenen ook geldt voor pensioenuitvoerders die vanuit het buitenland een Nederlandse pensioenregeling uitvoeren. Zo zal voor buitenlandse pensioenuitvoerders de regels over keuzebegeleiding meteen gelden. Hetzelfde geldt voor de bepalingen over de nieuwe contracten vanaf de transitie.

Wil je op de hoogte blijven van alle updates rondom het pensioenakkoord?

Meld je dan aan voor onze pensioenakkoord updates.

Aanmelden