De Wet toezeggingen pensioenonderwerpen is in internetconsultatie gegaan. In dit wetsvoorstel is zowel de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen geregeld als een uniformering van het kindbegrip. Ook wordt een verruiming voorgesteld van het overgangsrecht bij arbeidsongeschiktheid. Verder wordt er een versoepeling voorgesteld voor de informatie over pensioen op de loonstrook. De wetswijziging gaat in op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Wet toezeggingen pensioenonderwerpen
Een gewezen deelnemer krijgt de mogelijkheid om naast het partnerpensioen ook het wezenpensioen vrijwillig voort te zetten aan het einde van de uitloopperiode.
De premie voor vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen en of wezenpensioen wordt betaald vanuit het persoonlijk pensioenvermogen. Dit kapitaal is bestemd om op de pensioendatum ouderdomspensioen en partnerpensioen aan te kopen. De verhouding tussen aan te kopen ouderdomspensioen en partnerpensioen wijzigt niet. De onttrekking van de premies voor de vrijwillige voortzetting heeft wel invloed op de omvang van het op te bouwen pensioenvermogen en daarmee op de omvang van het aan te kopen ouderdomspensioen en partnerpensioen. Omdat er gevolgen zijn voor het partnerpensioen zal ook de partner schriftelijk toestemming moeten verlenen voor een vrijwillige voortzetting.
Heeft de gewezen deelnemer gekozen voor vrijwillige voortzetting? Dan moet de deelnemer ieder jaar worden geïnformeerd over de gevolgen van de vrijwillige voortzetting door de pensioenuitvoerder.
De maximale looptijd van de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen wordt gelijk aan de maximale looptijd van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen. Zowel het wezenpensioen als het partnerpensioen kunnen afzonderlijk worden voortgezet. Een gewezen deelnemer met kinderen maar zonder partner zal alleen kiezen voor vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen. Heeft een gewezen deelnemer een partner en kinderen? Hij kan ervoor kiezen om of alleen het partnerpensioen of alleen het wezenpensioen voort te zetten. Het niet voortzetten van een vrijwillige dekking is ook mogelijk.
| Onderdeel | Beschrijving |
|---|---|
| Keuzemogelijkheid | Voortzetten risicodekking voor wezenpensioen en of partnerpensioen. Voorwaarde is dat er na het einde van de deelneming geen nieuw dienstverband wordt aangegaan. |
| Duur voortzetting | 15 jaar of langer, maar alleen als dit is afgesproken in pensioenregeling. |
| Financiering | Vanuit eigen pensioenvermogen bestemd voor ouderdomspensioen en partnerpensioen. |
| Vrijwillige voortzetting | Tot maximale duur of tot eerder stoppen om bepaalde redenen. |
| Voorbeelden van redenen voor stoppen |
|
Naast het partnerbegrip is ook het kindbegrip verduidelijkt. Er geldt daardoor één wezenbegrip voor alle pensioenregelingen in het nieuwe pensioenstelsel. Een wees is:
- een eigen kind;
- een stiefkind: en
- een pleegkind.
Bij de juridische ouder of ouders is het kind:
- een kind dat is geboren uit de deelnemer of een kind dat is geboren tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de deelnemer;
- een kind dat is erkend door de deelnemer;
- een kind waarbij het ouderschap van de deelnemer door de rechter is vastgesteld;
- een kind dat door de deelnemer is geadopteerd; of
- een kind dat wordt geboren binnen 306 dagen na overlijden van de deelnemer.
Is sprake van een scheiding of van een samengesteld gezin? Dan geldt de volgende definitie van een stiefkind:
- Een kind van de partner dat niet een eigen kind is. Het kind wordt wel als eigen kind opgevoed en onderhouden.
In de volgende situaties is sprake van een stiefkind:
- Het kind van de partner staat ingeschreven op hetzelfde adres als de gewezen deelnemer of deelnemer.
- Er is een co-ouderschapsregeling tussen de juridische ouders.
- Het kind staat niet ingeschreven op het adres van de deelnemer of gewezen deelnemer en ook niet op het adres van de gescheiden juridische ouder, bijvoorbeeld omdat het kind uitwonend is voor studie of werk.
- Een kind van gescheiden ouders of beëindigd partnerschap na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, waarbij de deelnemer of gewezen deelnemer of partner aantoonbaar bijdraagt in het levensonderhoud van het kind voor een bedrag hoger dan € 512,- (2024) per kwartaal.
De beoordeling of sprake is van een stiefkind vindt vervolgens plaats aan de hand van de volgende voorwaarden:
| Stap | Voorwaarde | Resultaat |
|---|---|---|
| 1. Partnerkwalificatie | De juridische ouder moet als partner gekwalificeerd zijn.* | Gekwalificeerd? Ga naar stap 2. |
| 2. Kinddefinitie | Vervolgens beoordelen of het kind voldoet aan de stiefkind-definitie | Voldaan? Dan komt het kind in aanmerking voor een wezenpensioen. |
* De juridische ouder wordt partner door een huwelijk of geregistreerd partnerschap met de ouder van het stiefkind, of door een gezamenlijke huishouding met de ouder van het stiefkind waarbij er een onderhoudsplicht is vastgelegd in een samenlevingscontract.
In de volgende tabel wordt duidelijk of recht is op een wezenpensioen bij wel of geen onderhoudsplicht vanuit een samenlevingscontract:
| Situatie | Uitwerking situatie | Recht op wezenpensioen |
|---|---|---|
| Gezamenlijke huishouding met onderhoudsplicht voor het stiefkind |
|
Ja, er wordt een ouder-kindrelatie verondersteld. |
| Gezamenlijke huishouding zonder onderhoudsplicht voor het stiefkind |
|
Niet standaard. Financiële bijdrage moet worden aangetoond. Wel recht op wezenpensioen:
Uitwonend
|
In de volgende tabel wordt duidelijk of recht is op een wezenpensioen bij het overlijden van de deelnemer of de partner die als pleegouder is aangemerkt:
| Wel recht op wezenpensioen | Geen recht op wezenpensioen |
|---|---|
| Pleegkind jonger dan 18 jaar: pleegouders ontvangen kinderbijslag | Pleegkind waarvoor pleegvergoeding wordt ontvangen. |
| Pleegkind ouder dan 18 jaar: pleegouders ontvingen kinderbijslag en pleegouder draagt meer dan € 512,- per kwartaal bij aan levensonderhoud en kan dit aantonen. | Pleegkind waarvoor pleegvergoeding werd ontvangen. |
Voldeed een kind voorafgaande aan het nieuwe pensioenstelsel aan de voorwaarden van een kind van de deelnemer? Dan heeft dit kind overgangsrecht. Ontving een kind eerst geen wezenpensioen onder het oude pensioenstelsel, maar wel vanuit het nieuwe pensioenstelsel? Dan ontvangt het kind het wezenpensioen niet met terugwerkende kracht over de periode in het oude pensioenstelsel.
De minister wil verder het overgangsrecht voor zieke werknemers uitbreiden met een pensioenregeling bij een verzekeraar of bij een gesloten pensioenfonds. Alle gesloten pensioenfondsen krijgen de mogelijkheid om de premievrije opbouw van pensioenaanspraken vanuit de uitkeringsovereenkomst voort te zetten. Zij hoeven hierdoor geen nieuwe premieovereenkomst af te sluiten. Het maakt hierbij niet uit of de onderneming van de werkgever wel of niet meer bestaat. Een algemeen pensioenfonds mag hiervan ook gebruikmaken bij een collectiviteitskring.
De volgende voorwaarden gelden:
- Het pensioenfonds doet geen collectieve waardeoverdracht.
- Kiest het gesloten pensioenfonds na de transitiefase voor wel of niet voor liquidatie overdracht naar een andere pensioenuitvoerder? Dan mag ook de premievrije opbouw van pensioenaanspraken vanuit de uitkeringsovereenkomst blijven bestaan.
Is een werknemer in dienst bij de werkgever en op het moment van de overstap naar het nieuwe stelsel ziek? En wordt de premieregeling in het nieuwe stelsel uitgevoerd door een andere verzekeraar en wordt deze werknemer op een later moment arbeidsongeschikt verklaard? Dan geldt een verruiming van het overgangsrecht. Het moment waarop de werknemer ziek is, wordt bepalend voor de vraag welke verzekeraar de premiebetaling voor pensioenopbouw moet voortzetten. Dit valt dus onder het uitlooprisico van de verzekeraar van voor de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel, waardoor ook voor deze zieke werknemer de pensioenregeling gehandhaafd blijft.
Op de loonstrook hoeft alleen aangegeven te worden of er een pensioenregeling aanwezig is. Er hoeft dus niet langer te worden aangegeven dat er voor een werknemer pensioen wordt opgebouwd. Soms is er namelijk wel een pensioenregeling aanwezig, maar is de franchise hoger dan het pensioengevend inkomen. Ook is in de salarisadministratie niet altijd zichtbaar wanneer een deelnemer pensioen opbouwt. Deze situatie doet zich voor als de premie volledig door de werkgever wordt betaald.